Nieuws

Wetsvoorstel spoedreparatie fiscale eenheid ingediend

Een in Nederland gevestigde vennootschap, die ten minste 95% van de aandelen houdt in een andere in Nederland gevestigde vennootschap, kan op verzoek met die dochtervennootschap een fiscale eenheid vormen. Na de vorming van een fiscale eenheid is alleen de moedervennootschap belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, voor de geconsolideerde winst. Door de consolidatie zijn interne transacties fiscaal onzichtbaar. In bepaalde gevallen leidt de regeling van de fiscale eenheid tot een gunstigere fiscale behandeling dan wanneer er geen fiscale eenheid zou zijn.

Het Hof van Justitie EU heeft de situatie van een grensoverschrijdend concern vergeleken met de situatie van een Nederlands concern. Het grensoverschrijdende concern kon geen gebruik maken van de regeling voor de fiscale eenheid en kreeg daardoor te maken met de renteaftrekbeperking die winstdrainage tegengaat. Binnen een fiscale eenheid is deze aftrekbeperking niet van toepassing. Volgens het Hof van Justitie EU is dit verschil in behandeling niet verenigbaar met de Europeesrechtelijke vrijheid van vestiging. Als gevolg van het arrest van het Hof van Justitie EU heeft het kabinet reparatiemaatregelen aangekondigd. Het wetsvoorstel met de aangekondigde maatregelen is nu ingediend bij de Tweede Kamer.

Het wetsvoorstel komt erop neer dat niet bepaalde voordelen van de fiscale eenheid worden toegekend aan het grensoverschrijdende concern, maar dat deze voordelen worden onthouden aan fiscale eenheden. Dit betekent dat een aantal wettelijke bepalingen moet worden toegepast alsof er geen fiscale eenheid is. Het wetsvoorstel kent terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 om 11.00 uur. Op dat tijdstip is een persbericht uitgegaan waarin de reparatie is aangekondigd. Naast de toepassing van de renteaftrekbeperking ter voorkoming van winstdrainage gaat het om onderdelen van de deelnemingsvrijstelling, de renteaftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente en de verliesverrekening bij wijziging van het belang. Door de voorgestelde wetswijziging komen bepaalde interne transacties ondanks het bestaan van een fiscale eenheid toch tot uitdrukking in de winst. De bepaling van de winst gebeurt ten dele alsof de moeder- en dochtermaatschappij(en) zelfstandig belastingplichtig zijn. Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting wordt door de voorgestelde maatregelen op dezelfde wijze behandeld als een grensoverschrijdend concern.

Renteaftrekbeperking tegen winstdrainage
De renteaftrekbeperking tegen winstdrainage moet worden toegepast alsof de maatschappijen van de fiscale eenheid zelfstandig belastingplichtig zijn. Dat geldt ook voor op 25 oktober 2017 om 11.00 uur bestaande situaties. De in beginsel niet aftrekbare rente op grond van de aftrekbeperking wordt gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de periode voor 25 oktober 2017 en een deel dat betrekking heeft op de periode die is aangevangen op 25 oktober 2017. Alleen het laatste deel is niet aftrekbaar voor zover het gaat om fiscale eenheden. De renteaftrekbeperking is niet van toepassing op de periode vóór 25 oktober 2017.
De renteaftrekbeperking ter voorkoming van winstdrainage kent twee tegenbewijsregelingen. Deze gelden uiteraard ook voor de fiscale eenheid. Door binnen concern te reorganiseren of door omzetting van de vordering in aandelenkapitaal kan de renteaftrekbeperking worden voorkomen.

Renteaftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente
Ook de renteaftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente moet worden toegepast alsof de maatschappijen van de fiscale eenheid zelfstandig belastingplichtig zijn en zonder beperking in de tijd. De rente is niet aftrekbaar voor zover deze uitkomt boven een bedrag van € 750.000. De door toepassing van deze bepaling in beginsel niet-aftrekbare rente is alleen niet aftrekbaar voor zover deze is toe te rekenen aan de periode die is aangevangen op 25 oktober 2017.

Verliesverrekening bij wijziging van het belang
De regeling van de verliesverrekening bij wijziging van het belang is bedoeld om de handel in verliesvennootschappen tegen te gaan. Dat gebeurt door de verrekening van verliezen rond het tijdstip van wijziging van het belang in de vennootschap te beperken. Door deze regeling toe te passen als ware er geen fiscale eenheid kunnen verliezen van een maatschappij, die zijn geleden voor een belangrijke wijziging in de aandelenverhouding, niet worden verrekend met later behaalde winst van deze maatschappij.

Niet-kwalificerende beleggingsdeelneming
De deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op een zogenoemde niet-kwalificerende beleggingsdeelneming. Door de wijziging van de regeling van de fiscale eenheid gaat deze uitzondering ook gelden binnen een fiscale eenheid. Dat betekent verplichte herwaardering voor een dochtermaatschappij die aan de voorwaarden voldoet, met een hogere winst voor de fiscale eenheid als gevolg. Voor deze wijziging geldt geen terugwerkende kracht, omdat de wijziging niet was aangekondigd in het persbericht.

Innovatiebox
Voor immateriële activa, die vóór 1 juli 2016 zijn voortgebracht en waarvoor is gekozen voor toepassing van de innovatiebox, geldt dat de voordelen uit die immateriële activa in aanmerking worden genomen voor 5/H gedeelte. H staat voor het percentage van het hoogste tarief van de vennootschapsbelasting voor het jaar waarin het voordeel is genoten. Voor andere immateriële activa geldt vanaf 1 januari 2018 dat de voordelen in aanmerking worden genomen voor 7/H gedeelte. Het verschil in effectief tarief wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 2018 opgeheven.

Bezwaarschriften belastingheffing in box 3

De staatssecretaris van Financiën laat weten dat er wordt gewerkt aan een aanwijzing massaal bezwaar voor bezwaarschriften tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 voor zover het de belastingheffing in box 3 betreft. Iedere belastingplichtige die bezwaren heeft tegen zijn aanslag inkomstenbelasting moet individueel en tijdig een bezwaarschrift indienen, ook als er een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven. De Bond voor Belastingbetalers heeft belastingplichtigen opgeroepen om bezwaar te maken tegen de belastingheffing in box 3 in de inkomstenbelasting over 2017.

Voor bezwaren tegen aanslagen betreffende de vermogensrendementsheffing over de belastingjaren tot en met 2016 geldt al een aanwijzing massaal bezwaar. Vanaf 2017 is de berekening van het forfaitaire rendement gewijzigd. Dat betekent dat de uitkomst van de lopende procedures over de jaren tot en met 2016 niet beslissend is voor de bezwaren tegen de aanslagen inkomstenbelasting voor het jaar 2017 (en later). De staatssecretaris merkt op dat bezwaarschriften tegen de aanslagen IB 2017 die zijn of worden ingediend voor 15 juli 2018 en die zijn gericht tegen de berekening van het forfaitair vastgestelde rendement zullen worden behandeld als tijdig ingediende bezwaarschriften.

Tweede Kamer wil minder verschil in belastingdruk een- en tweeverdieners

De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen om met mogelijkheden te komen om de verschillen in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners weg te nemen. Door de individualisering van de belastingheffing betalen bij een gelijk gezinsinkomen eenverdieners meer belasting dan tweeverdieners. De Kamer wil binnen een jaar een rapport van het kabinet ontvangen waarin de gevraagde mogelijkheden worden beschreven.

Maatregelen tegen stapeling van zorgkosten

Het kabinet neemt maatregelen om stapeling van zorgkosten tegen te gaan. Veel mensen die een eigen bijdrage betalen voor maatschappelijke ondersteuning of voor langdurige zorg maken ook het eigen risico voor de zorgverzekering op of moeten bijbetalen voor geneesmiddelen. Deze stapeling van zorgkosten kan ertoe leiden dat mensen niet de zorg en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. De maatregelen om de zorg bereikbaar en betaalbaar te maken bestaan uit het invoeren van een abonnementstarief voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en een verlaging van de vermogensinkomensbijtelling voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Het is de bedoeling dat de maatregelen per 1 januari 2019 van kracht worden.

Zorgverzekering
Het kabinet heeft besloten om het eigen risico voor de zorgverzekering tot en met 2012 te bevriezen. Verder is het kabinet van plan om de bijbetalingen voor bepaalde geneesmiddelen te maximeren op een bedrag van € 250 per jaar.

Abonnementstarief Wmo
Huishoudens die gebruik maken van een Wmo-voorziening gaan een vast tarief van € 17,50 per vier weken betalen, ongeacht hun inkomen, vermogen of het gebruik van de voorziening. Gemeenten hebben de ruimte om een lagere eigen bijdrage vast te stellen. Het abonnementstarief moet bureaucratie en administratieve rompslomp voorkomen of verminderen.

Vermogensinkomensbijtelling langdurige zorg
Bij de berekening van de eigen bijdrage voor langdurige zorg wordt rekening gehouden met inkomsten uit vermogen. De huidige bijtelling bedraagt 8% van het vermogen. Met ingang van 2019 wordt deze bijtelling gehalveerd naar 4% van het vermogen. Door deze maatregel hoeven mensen die langdurige zorg nodig hebben minder in te teren op hun vermogen.

Strafverzwaring door latere wetswijziging niet toegestaan

Op grond van de oude inkeerregeling werd geen vergrijpboete opgelegd aan een belastingplichtige die alsnog een juiste en volledige aangifte deed voordat hij wist of moest vermoeden dat de inspecteur op de hoogte was van de onjuistheid of onvolledigheid van de eerdere aangifte. De inkeerregeling is met ingang van 2 juli 2009 gewijzigd. Vanaf die datum is de periode waarbinnen inkeer zonder vergrijpboete mogelijk is beperkt tot uiterlijk twee jaar na het tijdstip waarop de eerdere onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan of waarop aangifte had moeten worden gedaan. Wanneer na het verstrijken van twee jaar wordt ingekeerd is dat een reden om de op te leggen vergrijpboete te matigen. Met het Belastingplan 2018 is de inkeerregeling afgeschaft. 
Het EVRM en het IBPVR bepalen dat niemand mag worden veroordeeld voor een feit dat niet strafbaar was ten tijde van het handelen of nalaten. Ook mag geen zwaardere straf worden opgelegd dan de straf die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.

De vraag in een procedure over de toepassing van de inkeerregeling was of door de wijziging van de wet per 2 juli 2009 een zwaardere straf werd opgelegd aan de inkeerder dan de straf die ten tijde van het begaan van het stafbare feit van toepassing was. Volgens de rechtbank ligt de inkeerregeling als algemene vervolgingsuitsluitingsgrond in de sfeer van het materiële boeterecht. De rechtbank merkte de regeling aan als een strafbepaling en niet als een bepaling met betrekking tot de uitvoering of handhaving van de straf. Voor zover door de gewijzigde bepalingen sprake was van strafverzwaring oordeelde de rechtbank dat deze bepalingen in strijd waren met het EVRM en het IVBPR. De rechtbank vernietigde de vergrijpboetes die over de jaren 2004 tot en met 2007 waren opgelegd.