Nieuws

Beëindiging arbeidsovereenkomst bij AOW-gerechtigde leeftijd

In de cao voor het verzekeringsbedrijf is bepaald dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen maar uiterlijk op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Met die bepaling kan een arbeidsovereenkomst worden beëindigd voor de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, wanneer die datum later valt dan de datum waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt.

Wanneer de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd hoeft de werkgever geen transitievergoeding te betalen. Dat is bepaald in het Burgerlijk Wetboek. Volgens de Hoge Raad is deze bepaling niet in strijd is met Richtlijn 2000/78/EG. Deze Richtlijn geeft een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. Er is geen sprake van verboden leeftijdsdiscriminatie wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Geen aanleiding voor verlaging AOW-leeftijd

Naar aanleiding van een artikel in het Financieel Dagblad zijn Kamervragen gesteld aan de minister van Sociale Zaken over de verhoging van de AOW-leeftijd. In het artikel wordt beschreven dat de AOW-leeftijd tot 2021 sneller stijgt dan de toename van de levensverwachting van 65-jarigen. Daarom zou volgens actuarissen de AOW-leeftijd pas vijf jaar later, dus in 2026 hoeven te stijgen naar 67 jaar. Volgens de minister is de geleidelijke verhoging naar 67 jaar bedoeld als inhaalslag voor de sinds de invoering van de AOW gestegen levensverwachting. Na 2021 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Om te voorkomen dat de AOW-leeftijd bij elke wijziging van de resterende levensverwachting moet worden aangepast, is in de wet opgenomen dat de AOW-leeftijd pas stijgt bij een stijging van de levensverwachting van meer dan drie maanden.

Volgens recente prognoses van het CBS stijgt de toekomstige levensverwachting minder snel dan eerder was geraamd. Het is echter nog te vroeg om te spreken van een trendbreuk in de stijgende lijn voor de levensverwachting, hoewel in het buitenland de levensverwachting ook minder snel stijgt. Het CBS gaat vooralsnog uit van een verdere stijging van de levensverwachting. De minder snelle stijging van de levensverwachting is geen aanleiding voor aanpassing van de AOW-leeftijd. Om onzekerheid te voorkomen wordt een eenmaal vastgestelde verhoogde AOW-leeftijd niet later gewijzigd. De aanpassing wordt vijf jaar van tevoren vastgelegd om meer zekerheid te bieden.

WOZ-waarde bedrijfsterrein met opslagtanks

Een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden had betrekking op de WOZ-waarde van een bedrijfsterrein met opstallen en installaties. In geschil was of de op het terrein aanwezige opslagtanks roerende of onroerende zaken waren. Wanneer de tanks roerend zouden zijn, maakte de waarde van de tanks geen deel uit van de WOZ-waarde van het bedrijfsterrein. Onroerende zaken zijn grond en gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Dat kan rechtstreeks maar ook door vereniging met andere gebouwen en werken. Volgens vaste jurisprudentie is een bouwwerk, dat naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, onroerend. Voor het antwoord op de vraag, of dat het geval is, is niet doorslaggevend dat het technisch mogelijk is om het bouwwerk te verplaatsen.

Het hof was van oordeel dat, gelet op de aard van het bedrijf en de inrichting van het terrein, de tanks voor meerdere jaren op dezelfde plaats zouden blijven staan. Bepalend daarvoor waren het aanwezige en gedeeltelijk vaste leidingnetwerk en de funderingen waarop en de betonnen putten waarin de tanks waren geplaatst. Het hof onderzocht vervolgens of de werktuigenvrijstelling van toepassing was op de tanks. Dat gold alleen voor de tot in de tanks aanwezige roerwerken. Die konden verwijderd worden uit de tank zonder schade aan de tank aan te brengen.

Bewijs van beperkt privégebruik auto

Wanneer door de werkgever een auto aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld, gaat de wet ervan uit dat de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. Dat betekent dat er een bijtelling bij het inkomen moet plaatsvinden, tenzij blijkt dat op jaarbasis met de auto niet meer dan 500 privékilometers zijn gereden. Het bewijs kan worden geleverd met behulp van een rittenregistratie. Op verzoek geeft de Belastingdienst aan een werknemer een verklaring geen privégebruik af. Die verklaring ontslaat de werknemer niet van de bewijslast, maar ontslaat de werkgever wel van de verplichting om de bijtelling bij het loon van de werknemer te doen. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting is aangegeven aan welke eisen een rittenregistratie moet voldoen om als bewijs te kunnen dienen. Het gaat om de volgende gegevens:

  1. merk, type en kenteken van de auto;
  2. periode van terbeschikkingstelling van de auto;
  3. per rit:
    a. datum;
    b. beginstand en eindstand van de kilometerteller;
    c. beginadres en eindadres;
    d. de gereden route, indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke; en
    e. het karakter (zakelijk of privé) van de rit.

Een rittenregistratie moet sluitend zijn en nauwkeurig worden bijgehouden. Garagenota’s van onderhoud en reparatie kunnen dienen als aanvullend bewijs, ter onderbouwing van de rittenregistratie.

De rechtbank Den Haag accepteerde een achteraf opgestelde rittenregistratie niet. Volgens de rechtbank was de rittenregistratie te onnauwkeurig om als overtuigend bewijs te kunnen dienen. De overgelegde registratie gaf geen volledig beeld van de gereden ritten, routes en afstanden. Ander bewijs dan de rittenregistratie had de werknemer niet. Zijn verklaring dat hij pertinent niet privé met de auto heeft gereden is geen bewijs, evenmin als de omstandigheid dat de werknemer ook een eigen auto had.

Geen ruime uitleg van concurrentiebeding

Bij de uitleg van een concurrentiebeding moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen, maar kan ook de betekenis die partijen aan het beding toekennen en wat zij ten aanzien daarvan van elkaar mogen verwachten, van belang zijn. Een concurrentiebeding beperkt het grondwettelijk recht op vrije arbeidskeuze. Dergelijke beperkingen moeten niet ruim worden uitgelegd. Eventuele onduidelijkheden in een concurrentiebeding mogen niet in het nadeel van de werknemer worden uitgelegd, maar zijn voor risico van de werkgever.

Een procedure in kort geding betrof de vraag of de indiensttreding bij een nieuwe werkgever werd verhinderd door het in de arbeidsovereenkomst met de oude werkgever opgenomen concurrentiebeding. Bij aanvang van het eerdere dienstverband is niet gesproken over het in het arbeidscontract opgenomen concurrentiebeding. De kantonrechter beperkte zich daarom tot een tekstuele uitleg van het concurrentiebeding. Uit de bewoordingen van het concurrentiebeding volgde dat het de werknemer verboden was om in dienst te treden of betrokken te zijn bij een onderneming die een zaak drijft gelijk of gelijksoortig aan die van de oude werkgever. De omschrijvingen van de bedrijfsactiviteiten van de oude en de nieuwe werkgever in het handelsregister verschilden van elkaar. De oude werkgever bouwde, onderhield en repareerde machines voor de cacao-industrie. De nieuwe werkgever verwerkte cacao. Het enkele feit dat beide ondernemingen met de cacao-industrie te maken hebben, betekende niet dat de ondernemingen gelijk of gelijksoortig waren. Het met de oude werkgever overeengekomen concurrentiebeding verhinderde indiensttreding bij de nieuwe werkgever daarom niet.